ECLI:NL:CRVB:2020:2368
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstandsnorm na beëindiging gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand naar de norm voor gehuwden sinds 2012. Na melding van beëindiging van de samenwoning met zijn ex-partner stelde het college een onderzoek in en herzag de bijstand per 15 november 2017 naar de norm voor alleenstaanden, gebaseerd op de huurovereenkomst van de ex-partner.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de herziening per 14 november 2017 had moeten plaatsvinden, omdat zijn ex-partner zich toen had ingeschreven op een nieuw adres en de scheiding van tafel en bed plaatsvond. De Raad oordeelde dat de datum van de huurovereenkomst (15 november) een objectief gegeven is en dat appellant deze eerdere datum niet met objectieve en verifieerbare gegevens kon onderbouwen.
Verder stelde appellant dat hij in november 2017 ten onrechte minder bijstand ontving. De Raad oordeelde dat de bijstand correct was vastgesteld volgens artikel 21 PW Pro, en dat de verdeling van vaste lasten een civielrechtelijke kwestie is die geen invloed heeft op de hoogte van de bijstand.
Een nieuw aangevoerde grond op basis van artikel 18 PW Pro werd niet behandeld wegens te late indiening. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de bijstand per 15 november 2017 en wijst het hoger beroep af.