ECLI:NL:CRVB:2020:2381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstand in leningvorm wegens onvoldoende aannemelijkheid schulden op woning
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en kreeg deze toegekend in de vorm van een lening vanwege de waarde van zijn woning die hoger is dan het vrij te stellen vermogen. Het dagelijks bestuur stelde dat er geen hypotheekschuld op de woning rustte en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er overige schulden waren die verband houden met de financiering van de woning.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat enkel schulden die op de woning drukken in mindering kunnen worden gebracht op het vermogen. De door appellant genoemde leningen van zijn moeder werden niet als zodanig erkend, omdat de bewijsstukken onvoldoende waren en er geen verband werd aangetoond met de woningfinanciering.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar slaagde er wederom niet in aannemelijk te maken dat de schulden op de woning drukken of dat er sprake was van ongelijke behandeling. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.