ECLI:NL:CRVB:2020:2386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek bevestigd
Appellante, voormalig administratief medewerker, ontving een WIA-uitkering die het UWV na herbeoordeling beëindigde wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek onzorgvuldig was, haar beperkingen werden onderschat en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. Ook werd aangevoerd dat het beginsel van equality of arms was geschonden doordat zij geen eigen verzekeringsarts kon inschakelen. De Raad concludeerde echter dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen en dat de rapporten van het UWV overtuigend waren.
De Raad verwierp het verzoek om een deskundige in te schakelen, omdat er geen twijfel bestond over de medische beoordeling. Ook werd geoordeeld dat de psychische beperkingen adequaat waren verwerkt in de Functionele Mogelijkhedenlijst en dat de geduide functies medisch geschikt waren. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd; het bezwaar en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.