ECLI:NL:CRVB:2020:2393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op uitkeringsadres
Appellante ontving sinds 2015 bijstand op grond van de Participatiewet, ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een melding van de verhuurder dat de woning niet bewoond werd, voerde het dagelijks bestuur een onderzoek uit, waarbij bleek dat het waterverbruik extreem laag was en er geen bewijs was dat appellante daadwerkelijk op het adres woonde. Appellante gaf geen gehoor aan uitnodigingen voor gesprekken en leverde aanvankelijk geen bankafschriften aan.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 2 maart 2015 wegens schending van de inlichtingenplicht en intrekking vanaf 17 november 2017 wegens niet nakomen van herstelverzoek. Tevens werd de bijstand teruggevorderd. Appellante maakte bezwaar en leverde aanvullende gegevens over haar psychische toestand, maar deze werden niet voldoende geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het dagelijks bestuur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde, mede door het extreem lage waterverbruik en andere feiten. Ook de terugvordering is rechtmatig, omdat appellante geen dringende redenen aannemelijk heeft gemaakt om hiervan af te zien.
De Raad benadrukt dat het hoofdverblijf wordt vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden en dat psychische problematiek geen invloed heeft op de feitelijke woonplaats. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de terugvordering worden bevestigd omdat appellante niet op het uitkeringsadres woonde en geen dringende redenen voor terugvordering heeft aangetoond.