ECLI:NL:CRVB:2020:240
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellanten ontvingen bijstand van februari 2012 tot april 2015. Het college startte in 2015 een onderzoek naar de rechtmatigheid van deze bijstand, waarbij onder meer gegevens werden opgevraagd bij diverse instanties en een verhoor plaatsvond. Op grond van dit onderzoek besloot het college in juli 2016 de bijstand in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen, omdat appellanten hun inlichtingenverplichting hadden geschonden door het niet melden van hun op geld waardeerbare werkzaamheden voor twee stichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, stellende dat het niet melden van deze activiteiten een geldige grond voor intrekking is, mede omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld door het ontbreken van een deugdelijke administratie en de verstrengeling van privé- en stichtingfinanciën.
In hoger beroep herhaalde appellanten hun eerdere gronden, maar de Raad volgde de rechtbank en het college. De Raad benadrukte dat de schending van de inlichtingenverplichting ziet op het niet melden van werkzaamheden, niet op het niet overleggen van administratieve gegevens. Appellanten slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij recht op bijstand hadden ondanks deze schending.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.