ECLI:NL:CRVB:2020:2411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid volgens verzekeringsarts
Appellant was werkzaam als medewerker vastgoedadministratie en meldde zich ziek met vermoeidheidsklachten en hoofdpijn. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts van het UWV werd hij per 13 maart 2017 geschikt geacht voor zijn werk, waarna zijn Ziektewetuitkering werd beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard door het UWV en later ook door de rechtbank Rotterdam.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onvoldoende rekening hield met het protocol Chronische nierschade en dat zijn klachten zoals vermoeidheid en concentratieproblemen onvoldoende werden erkend. Ook betwistte hij het beeld van zijn werkzaamheden, met name de mentale belasting en tijdsdruk.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en verzekeringsartsen dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de ernst van de nierfunctiestoornis niet werd onderschat. Het protocol werd als hulpmiddel gebruikt en de klachten van appellant waren niet medisch voldoende onderbouwd. De functie werd als lichte administratieve arbeid beoordeeld, zonder dwingend tempo of deadlines. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant geschikt is voor zijn administratieve functie.