ECLI:NL:CRVB:2020:2420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, geboren in 1986, vroeg een Wajong-uitkering aan na het afronden van haar universitaire studie en een daaropvolgende psychische inzinking. Het UWV wees de aanvraag af op grond van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek dat concludeerde dat zij arbeidsvermogen heeft. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch oordeel van de verzekeringsarts voldoende zorgvuldig was en appellante haar stellingen niet met objectief medisch bewijs onderbouwde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar concentratieproblemen en combinatie van ASS en ADHD leiden tot sociaal onvermogen en dat het UWV haar beperkingen onderschatte. Zij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige, verwijzend naar een recent psychiatrisch rapport en het arrest Korošec van het EHRM. De Raad oordeelde dat het UWV en de verzekeringsarts de beperkingen voldoende in kaart hadden gebracht en dat het rapport van Bouwman Psychiatrie geen aanleiding gaf tot aanpassing van het oordeel over haar arbeidsvermogen.
De Raad volgde het oordeel dat appellante in staat is ten minste één uur aaneengesloten te werken en vier uur per dag belastbaar is. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel en geen schending van het beginsel van equality of arms. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Wajong-aanvraag van appellante wordt terecht afgewezen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.