ECLI:NL:CRVB:2020:2425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen plaatsing ambtenaar in nieuwe functie na reorganisatie
Appellant, een boventallige medewerker bij de gemeente Amsterdam, werd in het kader van een reorganisatie geplaatst in een nieuwe generieke functie. Hij stelde dat de feitelijke werkzaamheden waarop de plaatsing was gebaseerd onjuist waren beschreven en dat hem ten onrechte de mogelijkheid tot een zienswijzegesprek was onthouden.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, maar de Raad oordeelde dat de rechtbank terecht een terughoudende toets hanteerde, doch dat appellant wel onterecht de zienswijze mogelijkheid was onthouden. De kern van het geschil betrof de vergelijking van de feitelijke werkzaamheden in de referteperiode met die van de nieuwe functie.
De Raad stelde vast dat partijen lijnrecht tegenover elkaar stonden over de feitelijke werkzaamheden 1 tot en met 7 en dat het college onvoldoende had onderbouwd dat deze werkzaamheden daadwerkelijk en structureel door appellant waren verricht. Hierdoor ontbrak het fundament voor de plaatsing. De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen met een zorgvuldige beschrijving en onderbouwing van de feitelijke werkzaamheden. Tevens werd het griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot plaatsing wordt vernietigd en het college moet een nieuwe beslissing nemen met zorgvuldige onderbouwing van de feitelijke werkzaamheden.