ECLI:NL:CRVB:2020:2430
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichtingskosten wegens niet noodzakelijke verhuizing
Appellante heeft haar woning moeten verlaten vanwege veiligheidsredenen en is naar een vrouwenopvang gegaan. Zij wilde dichter bij familie wonen en verhuisde eerst naar een beschikbare kamer en later naar een appartement in dezelfde plaats. Het college wees haar aanvraag voor bijzondere bijstand af omdat de tweede verhuizing niet noodzakelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De eerste verhuizing was noodzakelijk, maar de tweede niet, omdat er geen medische noodzaak of urgentieverklaring was en de woonsituatie niet zodanig onhoudbaar was dat onmiddellijke verhuizing nodig was.
De Raad oordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat de kosten van de tweede verhuizing niet onder de noodzakelijke kosten vallen zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet. Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor woninginrichtingskosten blijft in stand omdat de verhuizing niet noodzakelijk was.