ECLI:NL:CRVB:2020:244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig deegmaker, meldde zich ziek met fysieke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat appellant volgens onderzoek minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn verstandelijke en psychische beperkingen, onder meer PTSS, en dat het onderzoek niet grondig was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende zorgvuldig onderzoek had gedaan, waarbij ook informatie van behandelaars was betrokken. De psychologische expertise van Van Rijn werd niet overtuigend geacht vanwege gebrek aan validiteit en tegenstrijdigheden met het medisch dossier.
De Raad concludeerde dat er geen reden was om de beperkingen verdergaand aan te nemen dan vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst. De geselecteerde functies waren passend bij het opleidingsniveau en belastbaarheid van appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.