Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2445

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 september 2020
Publicatiedatum
12 oktober 2020
Zaaknummer
18/5171 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens niet-naleving sollicitatieplicht

De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin een maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering voor de maand december 2017 werd opgelegd aan appellante wegens het niet voldoen aan de sollicitatieafspraken.

Appellante had de verplichting om wekelijks vijf sollicitaties te verrichten voor minimaal twee uur schoonmaakwerk in de late middag en vroege avond, maar heeft dit niet gedaan. Appellanten voerden aan dat dit te wijten was aan gezondheidsproblemen en de zorg voor drie kinderen, waaronder een kind dat extra aandacht nodig heeft en een jongste kind jonger dan vijf jaar.

De rechtbank oordeelde dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat appellante geen enkel verwijt treft, zodat het college terecht een maatregel heeft opgelegd. Ook werd geoordeeld dat het college de persoonlijke omstandigheden van appellanten heeft meegewogen en dat er geen dringende redenen waren om af te zien van de maatregel.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat het feit dat het jongste kind jonger dan vijf jaar is, geen verandering brengt in het beleid van het college ten aanzien van ontheffing van de arbeidsverplichting voor een alleenstaande. Het hoger beroep wordt verworpen en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De maatregel van 100% verlaging van de bijstand gedurende één maand wordt bevestigd wegens niet-naleving van de sollicitatieplicht.

Uitspraak

18.5171 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 29 september 2020
Proces verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 augustus 2018, 18/1619 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Zitting heeft: J.N.A. Bootsma
Griffier: T. Ali
De zaak is behandeld op de zitting van 29 september 2020. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. M. el Idrissi. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Dit betekent dat de maatregel van 100% verlaging van de bijstand gedurende de maand december 2017, omdat appellante niet heeft gesolliciteerd, terecht is.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellante heeft zich niet gehouden aan de afspraak om per week vijf sollicitaties te verrichten naar twee uur per week schoonmaakwerk aan het eind van de middag en het begin van de avond. Net als in beroep hebben appellanten, zonder onderbouwing, aangevoerd dat appellante niet heeft gesolliciteerd vanwege haar gezondheid en de zorg voor haar drie kinderen, van wie de middelste extra aandacht nodig heeft. In hoger beroep hebben zij daaraan toegevoegd dat hun jongste kind destijds jonger was dan vijf jaar.
De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat appellante geen enkel verwijt treft, zodat het college niet met toepassing van artikel 18, negende lid, van de Participatiewet (PW) van het opleggen van een maatregel heeft hoeven afzien omdat elke vorm van verwijtbaarheid zou ontbreken.
De rechtbank heeft verder gemotiveerd overwogen dat het college de omstandigheden van appellanten en hun mogelijkheden om middelen te verwerven bij zijn beoordeling heeft betrokken. Met zijn conclusie dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan dringende redenen noodzaakten tot het afstemmen van de maatregel, zoals bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW, is het college naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gegaan.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe, dat het gegeven dat het hebben van een kind van jonger dan vijf jaar in het beleid van het college voor een alleenstaande wel een grond is voor ontheffing van de arbeidsverplichting, hierin geen verandering brengt.
Het hoger beroep slaagt niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal,
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) T. Ali (getekend) J.N.A. Bootsma