ECLI:NL:CRVB:2020:2453

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 oktober 2020
Publicatiedatum
13 oktober 2020
Zaaknummer
18/2359 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd

Appellante, werkzaam als medewerker ICT, meldde zich ziek met rugklachten en uitstraling naar het been. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts werd zij per 9 juni 2017 als voldoende belastbaar beschouwd om haar werkzaamheden te hervatten. Het UWV beëindigde daarop de Ziektewet-uitkering. Appellante maakte bezwaar en beroep, maar deze werden ongegrond verklaard omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en er geen aanwijzingen waren voor relevante beperkingen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar werkzaamheden zwaarder waren dan aangenomen, maar de Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat er geen sprake was van excessieve fysieke inspanningen in haar functie.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige of voor het toewijzen van proceskosten.

Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

18.2359 ZW

Datum uitspraak: 9 oktober 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
19 maart 2018, 17/7007 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.D. van Alphen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven om het onderzoek ter zitting achterwege te laten waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, laatstelijk werkzaam geweest als medewerker ICT, heeft zich op 5 april 2017 ziek gemeld met pijn in de onderrug en uitstraling naar het rechterbeen. Naar aanleiding van die ziekmelding heeft zij op 8 juni 2017 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante met ingang van 9 juni 2017 voldoende belastbaar geacht om weer in de maatgevende arbeid te hervatten. Hij heeft in zijn rapport vermeld dat er sprake is van klachten van aspecifieke aard, er geen invaliderende belemmeringen in het dagelijks leven zijn en er in feite geen relevante beperkingen zijn vastgesteld. Bij besluit van 9 juni 2017 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per gelijke datum beëindigd. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 september 2017 ongegrond verklaard. Daaraan is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 september 2017 ten grondslag gelegd. In dit rapport is vermeld dat het belangrijkste argument om appellante geschikt te achten voor haar eigen werk is dat er onvoldoende medische gronden bestaan om niet de halswervelkolom en de bovenste ledematen te gebruiken zonder excessieve fysieke inspanning.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medische onderzoek onzorgvuldig dan wel onjuist te achten. Volgens de rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat de verzekeringsartsen de klachten van appellante niet voldoende serieus hebben onderzocht, omdat uit de rapporten blijkt dat zij aandacht hebben besteed aan alle klachten van appellante en de verzekeringsarts bezwaar en beroep medische informatie van de behandelende sector bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep helder en uitgebreid heeft beargumenteerd dat de door appellante gestelde lichamelijke klachten niet leiden tot het aannemen van meer beperkingen en ongeschiktheid voor het eigen werk, omdat een medische objectivering hiervoor ontbreekt. De rechtbank heeft overwogen dat appellante haar standpunt niet met (nieuwe) medische informatie van haar behandelaars heeft onderbouwd. Daarnaast bestaat er geen twijfel over de medische onderbouwing van het bestreden besluit en bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
3. Met verwijzing naar de gronden in bezwaar en beroep heeft appellante in hoger beroep haar standpunt herhaald dat haar werkzaamheden zwaarder zijn dan het Uwv heeft aangenomen. Volgens appellante is het nog maar de vraag of haar collega’s die zware werkzaamheden ook zullen overnemen nu appellante niet meer zwanger is.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW dient ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid te worden verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van wat zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de gronden van appellante uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne.
4.3.
Het standpunt van appellante omtrent de zwaarte van haar werk gaat eraan voorbij dat in de in geding zijnde functie zoals door haarzelf beschreven geen sprake is van excessieve fysieke inspanningen.
5. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2020.
(getekend) J. Brand
(getekend) M. Graveland