ECLI:NL:CRVB:2020:2456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid WIA vastgesteld op 50,20%
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, werd sinds 2012 ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten en ontving vanaf 2014 een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2016 stelde een verzekeringsarts vast dat appellant belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis hiervan berekende een arbeidsdeskundige de arbeidsongeschiktheid op 50,20%, wat het UWV bij besluit bevestigde.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn beperkingen, waaronder nekklachten, tinnitus en cognitieve klachten, onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren verwerkt in de FML.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad concludeerde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende was, dat de klachten van appellant adequaat waren erkend en verwerkt, en dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld op 50,20%. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 50,20%.