ECLI:NL:CRVB:2020:2463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich in juni 2013 ziek met psychische klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt was voor diverse functies. Na een nieuwe ziekmelding in augustus 2016 weigerde het UWV ook een Ziektewetuitkering omdat appellant volgens medisch onderzoek geschikt bleef voor de eerder genoemde functies.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn medicatie was toegenomen, wat een toename van beperkingen zou betekenen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor zijn stellingen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat appellant niet had aangetoond dat hij meer beperkt was dan het UWV aannam en bevestigde dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering had geweigerd omdat appellant geschikt was voor ten minste één van de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering omdat appellant geschikt is voor ten minste één van de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.