ECLI:NL:CRVB:2020:2498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als stuwadoor en meldde zich ziek vanaf maart 2013. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek in 2018 werd het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 23,7%, waarop het UWV opnieuw de uitkering weigerde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, met name door ADHD, onvoldoende waren erkend.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling en de motivatie van het UWV. Appellant bracht geen nieuwe medische stukken aan die zijn stellingen ondersteunden. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.