ECLI:NL:CRVB:2020:2501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling beperkingen en functies
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek en ontving aanvankelijk een WIA-uitkering die werd geweigerd vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Later ontving zij een Ziektewetuitkering die het UWV beëindigde op grond van geschiktheid voor functies als samensteller.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en wees haar verzoek om uitstel af vanwege te late indiening. De medische beoordeling door het UWV werd als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd beoordeeld, mede op basis van een psychiatrische expertise die geen ernstige afwijkingen vond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het verzoek om uitstel ten onrechte werd afgewezen en dat het UWV onvoldoende onderzoek deed naar haar psychische klachten, mede gezien een nieuw diagnostisch verslag. De Raad oordeelde dat deze argumenten herhalingen waren en onderschreef het oordeel van de rechtbank.
De Raad zag geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige en vond dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellante geschikt was voor ten minste één van de functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van haar Ziektewetuitkering bevestigd.