ECLI:NL:CRVB:2020:2535
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WGA-vervolguitkering na revalidatieperiode
Appellant, voormalig lasser, ontving een WGA-vervolguitkering vanwege arbeidsongeschiktheid tussen 35 en 45%. Hij verzocht om herbeoordeling omdat hij van 30 januari 2017 tot en met 30 maart 2017 in een revalidatiecentrum verbleef voor longrevalidatie. Het UWV stelde vast dat hij vanaf 13 februari 2017 tijdelijk 100% arbeidsongeschikt was, maar dat zijn belastbaarheid vanaf 1 april 2017 weer gelijk was aan vóór de revalidatie.
De rechtbank oordeelde dat het revalidatietraject liep van 30 januari tot en met 30 maart 2017 en dat appellant in die periode geen benutbare mogelijkheden had, maar niet gedurende twee volledige kalendermaanden volledig arbeidsongeschikt was. De rechtbank verwierp de stelling van appellant dat het traject langer duurde en dat hij na afloop nog recuperatie nodig had.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank. De Raad hechtte beslissende waarde aan de verklaring van de behandelend longarts dat de behandeling op 30 maart 2017 was beëindigd en oordeelde dat het afsluitende gesprek op 31 maart niet betekent dat het revalidatietraject toen nog liep. De medische gegevens boden onvoldoende steun voor de stelling dat appellant na 30 maart nog niet benutbare mogelijkheden had.
Daarmee is niet voldaan aan de vereiste van twee volledige kalendermaanden van volledige arbeidsongeschiktheid volgens artikel 60 van Pro de Wet WIA. Het UWV heeft de WGA-vervolguitkering daarom terecht ongewijzigd voortgezet. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WGA-vervolguitkering wordt terecht ongewijzigd voortgezet omdat appellant niet twee volledige kalendermaanden volledig arbeidsongeschikt was.