ECLI:NL:CRVB:2020:2536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als assistent manager fastfood, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet werden onderschat.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was, zijn beperkingen niet goed waren ingeschat, en dat hij niet voldeed aan de opleidingseisen voor de geselecteerde functies. Ook stelde hij dat het maatmanloon onjuist was vastgesteld en verzocht hij om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad volgde het UWV en de rechtbank en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was. De beperkingen waren adequaat vastgesteld en de geselecteerde functies passend, waarbij het vereiste opleidingsniveau niet hoger was dan basisonderwijs en enkele jaren voortgezet onderwijs zonder diploma. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de procedure binnen de redelijke termijn was afgerond.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit van het UWV en wees het verzoek tot vergoeding van schade af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.