ECLI:NL:CRVB:2020:2537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig verkoopster, ontving aanvankelijk een WGA-uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheid van 42,79%. Na herbeoordeling door het UWV werd deze mate van arbeidsongeschiktheid bij besluit van 7 juli 2017 verlaagd tot 11,3%, waardoor het recht op uitkering verviel.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, ondanks een motiveringsgebrek in het bezwaarproces, omdat appellante geen nadeel had ondervonden en haar standpunten kon toelichten. De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de geselecteerde functies medisch passend waren.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat niet alle informatie was meegenomen en dat zij zwaarder beperkt was dan vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank, stelde vast dat geen nieuwe medische stukken waren ingediend en dat de beperkingen adequaat waren beoordeeld.
De Raad concludeerde dat de functies passend zijn en dat de herbeoordeling zorgvuldig en gemotiveerd was. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van de WGA-uitkering bevestigd.