ECLI:NL:CRVB:2020:2541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op IVA-uitkering wegens onvoldoende duurzaam arbeidsongeschikt
Appellante, arbeidsongeschikt sinds 2010 vanwege psychische klachten, ontving vanaf 2012 een WIA-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering in 2015, maar stelde haar later alsnog volledig arbeidsongeschikt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, omdat zij niet duurzaam arbeidsongeschikt was op de data in geding.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel duurzaam arbeidsongeschikt was en recht had op een IVA-uitkering. Zij stelde dat de behandelopties niet gericht waren op verbetering van arbeidsmogelijkheden. De Raad oordeelde dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt was, mede op basis van het expertiserapport van psychiater Van Os, die aangaf dat met goede behandeling en begeleiding appellante werkzaamheden kan verrichten.
Daarnaast verzocht appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de procedure langer dan de redelijke termijn had geduurd en veroordeelde de Staat tot betaling van €1.000,- schadevergoeding en proceskosten van €262,50. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op IVA-uitkering omdat zij niet duurzaam arbeidsongeschikt is; de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.