ECLI:NL:CRVB:2020:2543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vaststelling arbeidsongeschiktheid op 56,75% volgens Wet WIA
Appellant, voormalig heftruckchauffeur, werd door het UWV met ingang van 2 april 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 47,41%. Na bezwaar stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij op 56,75%, wat door de rechtbank werd bevestigd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch oordeel onjuist was, onder meer vanwege zijn zeldzame bloedziekte, de impact van kleine ruimten en koude, en bijwerkingen van medicatie. Tevens betwistte hij de passendheid van functies vanwege taal- en samenwerkingsproblemen.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat er geen reden was om aan diens conclusies te twijfelen. De klachten van appellant werden als klachtenniveau beoordeeld, zonder noodzaak tot vermijden van werkzaamheden. De vermeende bijwerking van Dormocort werd niet bevestigd door bewijs van sufheid. Ook de arbeidsdeskundige had gemotiveerd toegelicht dat de functies passend waren en geen onredelijke eisen stelden aan schriftelijke taalvaardigheid of samenwerking.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt. De vaststelling van 56,75% arbeidsongeschiktheid blijft gehandhaafd en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De vaststelling van 56,75% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.