ECLI:NL:CRVB:2020:2549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na anonieme meldingen verrichtte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij onder meer waterverbruikgegevens werden opgevraagd. Het college concludeerde dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en trok de bijstand over een periode van ruim anderhalf jaar in, met terugvordering van €21.779,89.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college niet bevoegd was het onderzoek te doen en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat eerder een rechtmatigheidsonderzoek geen aanleiding gaf tot aanpassing van de bijstand. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot het onderzoek zonder concreet vermoeden en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezegging of uitlating was gedaan waarop appellant mocht vertrouwen.
De Raad stelde vast dat het extreem lage waterverbruik op het uitkeringsadres de redelijke vooronderstelling rechtvaardigt dat appellant daar niet zijn hoofdverblijf had. Appellant kon dit niet voldoende weerleggen. Daarom was het college terecht tot intrekking en terugvordering van de bijstand overgegaan. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.