ECLI:NL:CRVB:2020:2554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning Indicatie banenafspraak ondanks arbeidsvermogen appellant
Appellant ontving een uitkering op grond van de Participatiewet en vroeg via de gemeente een Indicatie banenafspraak aan bij het UWV. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat appellant lichamelijke beperkingen had die langer dan zes maanden zouden duren, maar dat hij wel arbeidsvermogen bezat, zij het niet in staat was een drempelfunctie uit te oefenen.
Het UWV kende de Indicatie banenafspraak toe en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel, omdat appellant geen objectieve medische informatie had aangeleverd die het ontbreken van arbeidsvermogen aannemelijk maakte.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij geen arbeidsvermogen had, onderbouwd met medische informatie van een anesthesioloog. De Raad oordeelde echter dat deze informatie geen nieuwe feiten bevatte en dat de verzekeringsarts de beperkingen en pijnklachten adequaat had meegewogen. De arbeidskundige grondslag werd niet betwist.
De Raad concludeerde dat appellant ten tijde van belang arbeidsvermogen had en dat de toekenning van de Indicatie banenafspraak door het UWV terecht was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant arbeidsvermogen had en de Indicatie banenafspraak terecht is toegekend.