ECLI:NL:CRVB:2020:2560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens ontbreken eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor 1 augustus 2004
Appellant heeft een WAO-uitkering aangevraagd omdat hij stelt dat hij arbeidsongeschikt is geworden in de periode dat hij verzekerd was voor de WAO. Het UWV heeft dit afgewezen omdat geen eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor 1 augustus 2004 kon worden vastgesteld. De rechtbank heeft dit oordeel bevestigd.
In hoger beroep heeft appellant een second opinion van een reumatoloog ingediend die stelt dat hij al voor 31 december 2002 de ziekte van Bechterew had en daardoor beperkingen ondervond. Het UWV heeft dit weerlegd met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die stelde dat er onvoldoende medisch objectief bewijs is voor beperkingen in de WAO-periode.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de verzekeringsarts dat er geen aanwijzingen zijn voor zodanige beperkingen dat een Functionele Mogelijkhedenlijst opgesteld had moeten worden. Ook is er geen bewijs dat appellant per 31 december 2002 zodanig geïnvalideerd was dat hij alleen aangepast werk kon verrichten. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de WAO-uitkering wordt bevestigd.