Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2569

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2020
Publicatiedatum
26 oktober 2020
Zaaknummer
17/8103 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd

Appellant, voormalig magazijnmeester, meldde zich arbeidsongeschikt met diverse klachten en ontving aanvankelijk een WIA-uitkering van 100%. Het UWV beëindigde deze uitkering per 22 februari 2016 op grond van een beoordeling dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen correct waren vastgesteld.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de uitkering onterecht was beëindigd, onder meer vanwege voortgezette intensieve behandeling en onvoldoende erkenning van beperkingen. De Raad oordeelde dat de medische gegevens dit niet onderbouwen. De verzekeringsarts had voldoende gemotiveerd dat er benutbare mogelijkheden waren en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld, ook met betrekking tot psychische en lichamelijke klachten.

De Raad bevestigde dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is gebaseerd, medisch geschikt zijn voor appellant. Er was geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-uitkering van appellant terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

17/8103 WIA
Datum uitspraak:23 oktober 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 november 2017, 17/1960 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een beeldverbinding op 25 september 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ergec en Z. Hamibi, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als magazijnmeester. In 2007 is hij uitgevallen vanwege voet- en knieklachten. Na afloop van de wachttijd van 104 weken werd appellant voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) voor minder dan 35% arbeidsongeschikt beschouwd. Vervolgens is hij gaan werken als heftruckchauffeur en productiemedewerker. Appellant heeft zich op 25 oktober 2012 arbeidsongeschikt gemeld met toegenomen voet- en knieklachten, psychische klachten en rugklachten. Na afloop van de wachttijd van 104 weken werd appellant wederom voor minder dan 35% arbeidsongeschikt beschouwd.
1.2.
Appellant heeft zich op 18 februari 2015 vanuit de WW ziek gemeld met psychische klachten. Bij besluit van 19 oktober 2016 heeft het Uwv aan appellant met ingang van
18 februari 2015 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.
1.3.
Bij afzonderlijk besluit van 19 oktober 2016 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant beëindigd per 22 februari 2016.
1.4.
Het Uwv heeft bij besluit van 8 maart 2017 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen de beëindiging van de uitkering per 22 februari 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 22 februari 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 3 maart 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen niet te geringe beperkingen hebben vastgesteld voor appellant. Voor appellants standpunt dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de periode van 21 december 2015 tot en met 22 februari 2016 ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellant in de hem voorgehouden functies niet wordt overschreden.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de WIA-uitkering onterecht is beëindigd. Hij acht zich nog steeds volledig arbeidsongeschikt. Appellant stelt dat het Uwv niet voldoende heeft gemotiveerd dat er eind 2015 niet langer sprake was van een intensieve behandeling. Hij heeft er op gewezen dat hij in maart 2015 enkele dagen opgenomen is geweest in een GGZ-instelling en dat er vervolgens een behandeling is gestart waarvan de resultaten afgewacht moeten worden. Appellant acht het onjuist dat er vrijwel geen beperkingen zijn gesteld ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren en acht zich ook zwaarder beperkt vanwege diverse lichamelijke klachten. Appellant heeft verzocht een medisch deskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 22 februari 2016 (datum in geding) heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-uitkering van appellant per die datum heeft beëindigd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank dat er een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht en dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst van 22 augustus 2016 wordt onderschreven. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van
22 augustus 2016 voldoende toegelicht waarom er voor appellant op 21 december 2015 benutbare mogelijkheden waren. Gewezen is op een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 februari 2016 in het kader van een beoordeling op grond van de Ziektewet, waarin is geconcludeerd dat er geen sprake (meer) was van volledige arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de aanwezige klachten en beperkingen door de primaire verzekeringsarts voldoende in de beoordeling zijn betrokken en dat er in bezwaar geen medische gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat er op de datum in geding sprake is van meer beperkingen.
4.4.
Appellant heeft zijn stelling in hoger beroep dat hij vanaf 18 februari 2015 volledig arbeidsongeschikt is gebleven omdat er op de datum in geding nog sprake was van intensieve behandelingen, niet met medische gegevens onderbouwd. Er is rekening gehouden met een verminderde psychische belastbaarheid als gevolg van stemmingsproblemen, verhoogde prikkelbaarheid en geïrriteerdheid door beperkingen te stellen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. In het rapport van de verzekeringsarts van 22 augustus 2016 is vermeld dat appellant in de periode na zijn opname bij de GGZ wekelijks een gesprek heeft gehad met de GGZ en opnieuw is ingesteld op medicatie. Sindsdien is appellant rustiger geworden en zijn er minder slaapproblemen. Gelet hierop is terecht geconcludeerd dat er rond de datum in geding geen sprake was van intensieve medische behandeling(en) die het vaststellen van de belastbaarheid in de weg stonden.
4.5.
Ook zijn beperkingen gesteld wegens de klachten van het bewegingsapparaat. Het standpunt van appellant dat meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen is niet met nadere medische gegevens onderbouwd. Nu er geen twijfel is aan de medische grondslag van het bestreden besluit is er ook geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige.
4.6.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
4.7.
Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2020.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) M. Géron