ECLI:NL:CRVB:2020:2572
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende medisch onderzoek bij beoordeling toegenomen arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich in 2009 ziek met diverse klachten. Het UWV weigerde in 2011 een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. In 2016 meldde zij een verslechtering van haar gezondheid per juni 2015, maar het UWV weigerde opnieuw een uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarbij het UWV de datum van 1 juni 2015 als beoordelingsmoment hanteerde. Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV ten onrechte niet de periode tot 13 juni 2016 had beoordeeld en dat de medische beoordeling onvolledig was, onder meer vanwege onvoldoende aandacht voor vermoeidheids- en somatoforme klachten.
De Raad oordeelde dat het UWV de periode van 1 juni 2015 tot 13 juni 2016 had moeten betrekken bij de beoordeling, conform vaste rechtspraak. Daarnaast was het medisch onderzoek niet volledig en onvoldoende zorgvuldig, omdat het niet het gehele beoordelingstijdvak omvatte. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen vanwege het ontbreken van twijfel aan de medische beoordeling per 1 juni 2015.
De Centrale Raad van Beroep draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit binnen zes weken te herstellen, met inachtneming van de overwegingen van de Raad. Hiermee is het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht genomen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen omdat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was door het niet beoordelen van de volledige periode van vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid.