ECLI:NL:CRVB:2020:2591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Ziektewetuitkering wegens te hoge betaling zonder dringende redenen
Appellant ontving sinds 2004 een WAO-uitkering en was vanaf 2013 als brugwachter werkzaam. Na beëindiging van dat dienstverband kreeg hij vanaf 1 augustus 2016 een WW-uitkering en verrichtte hij uitzendwerk. Vanaf 12 september 2016 meldde hij zich ziek en ontving hij naast de WW-uitkering ook een Ziektewetuitkering (ZW).
Het UWV heeft bij besluit van 3 juli 2017 de ZW-uitkering verlaagd vanwege inkomsten uit werk, maar appellant maakte geen bezwaar tegen dit herzieningsbesluit. Bij besluit van 12 juli 2017 werd een terugvordering van €5491,64 bruto ingesteld wegens te veel betaalde ZW-uitkering over de periode 12 december 2016 tot en met 31 mei 2017.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering, stellende dat het UWV op de hoogte was van zijn inkomsten en dat hij niet kon vermoeden dat hij te veel ontving. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien en het UWV was verplicht het teveel betaalde bedrag terug te vorderen.
De Raad oordeelt dat het herzieningsbesluit voldoende grondslag biedt voor de terugvordering, ook al stond in het herzieningsbesluit niet expliciet dat terugvordering zou volgen. Het feit dat appellant het volledige bedrag inmiddels heeft voldaan en daarvoor geld heeft moeten lenen, vormt geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de te veel betaalde Ziektewetuitkering zonder dat dringende redenen tot kwijtschelding zijn aangetoond.