ECLI:NL:CRVB:2020:2594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Ziektewetuitkering en toeslag zonder dringende redenen
Appellant ontving vanaf juni 2016 een Ziektewetuitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het UWV stelde in juni 2017 vast dat appellant meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen, waardoor het recht op ziekengeld en toeslag eindigde. Het UWV vorderde vervolgens de onverschuldigd betaalde bedragen over de periode van juli tot en met december 2017 terug.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij de bedragen niet kon terugbetalen vanwege financiële problemen en psychische achteruitgang, en dat de uitkering was besteed aan primaire levensbehoeften. De Raad oordeelde dat het UWV op grond van de Ziektewet en Toeslagenwet verplicht was tot terugvordering, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Deze dringende redenen moeten uitzonderlijk zijn en leiden tot onaanvaardbare gevolgen.
De Raad stelde vast dat appellant de juistheid van de terugvorderingsbedragen niet betwistte en dat geen dringende redenen waren aangetoond. Bovendien bleek uit stukken dat appellant inmiddels een nieuwe uitkering en toeslag ontving en de bedragen via verrekening waren terugbetaald. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de Ziektewetuitkering en toeslag bevestigd.