Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2594

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2020
Publicatiedatum
27 oktober 2020
Zaaknummer
19/2033 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 ZWArt. 20 TWArt. 30 ZWArt. 30a ZWArt. 45 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering Ziektewetuitkering en toeslag zonder dringende redenen

Appellant ontving vanaf juni 2016 een Ziektewetuitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het UWV stelde in juni 2017 vast dat appellant meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen, waardoor het recht op ziekengeld en toeslag eindigde. Het UWV vorderde vervolgens de onverschuldigd betaalde bedragen over de periode van juli tot en met december 2017 terug.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij de bedragen niet kon terugbetalen vanwege financiële problemen en psychische achteruitgang, en dat de uitkering was besteed aan primaire levensbehoeften. De Raad oordeelde dat het UWV op grond van de Ziektewet en Toeslagenwet verplicht was tot terugvordering, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Deze dringende redenen moeten uitzonderlijk zijn en leiden tot onaanvaardbare gevolgen.

De Raad stelde vast dat appellant de juistheid van de terugvorderingsbedragen niet betwistte en dat geen dringende redenen waren aangetoond. Bovendien bleek uit stukken dat appellant inmiddels een nieuwe uitkering en toeslag ontving en de bedragen via verrekening waren terugbetaald. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de Ziektewetuitkering en toeslag bevestigd.

Uitspraak

19 2033 ZW

Datum uitspraak: 27 oktober 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
27 maart 2019, 18/4093 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Kafa, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 8 september 2020 nadere stukken overgelegd.
De zaak is, gevoegd met de zaak 18/6578 ZW, ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 15 september 2020. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling zijn de zaken gesplitst en is afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is bij besluit van 12 september 2016 met ingang van 13 juni 2016 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Daarnaast is appellant bij besluit van 10 oktober 2016 met ingang van 12 september 2016 in aanmerking gebracht voor een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW).
1.2.
Bij besluit van 14 juni 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van
15 juli 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 januari 2018 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 november 2018, 18/1417 ZW, heeft de rechtbank het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, 18/6578 ZW, heeft de Raad het daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Bij besluiten van 6 februari 2018 heeft het Uwv de over de periode 15 juli 2017 tot en met 31 december 2017 betaalde ZW-uitkering voor een bedrag van € 2.694,90 bruto en de over die periode betaalde toeslag voor een bedrag van € 1.151,23 bruto teruggevorderd. De bezwaren van appellant tegen deze besluiten heeft het Uwv bij besluit van 22 juni 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een terugvordering van hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de ZW en artikel 20, eerste lid, van de TW. De rechtbank heeft verder overwogen dat het Uwv op grond van de artikelen 33, eerste lid, van de ZW en 20 van de TW, behoudens de aanwezigheid van dringende redenen, gehouden is dat wat na de beëindiging onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen dringende redenen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij geen ruimte heeft om aan het Uwv terug te betalen. De uitkering is besteed aan primaire levensbehoeften. Voorts heeft appellant veel schulden bij derden en instanties waarvoor hij betalingsregelingen heeft. Door de financiële problemen is hij psychisch achteruit gegaan en dat mag niet verergeren.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW wordt het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 van de ZW onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
4.2.
Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW wordt de toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
4.3.
De Raad heeft in zijn uitspraak van heden in de zaak van 18/6578 ZW het ingestelde hoger beroep tegen het besluit van 14 juni 2017, waarbij de ZW-uitkering met ingang van 15 juli 2017 is beeindigd, ongegrond verklaard. Hierdoor staat vast dat het Uwv aan appellant over de periode van 15 juli 2017 tot en met 31 december 2017 onverschuldigd een bedrag van € 2.694,90 bruto aan ZW-uitkering heeft betaald. Omdat het recht op toeslag uit het hoofdrecht op uitkering volgt, is het recht op toeslag eveneens per 15 juli 2017 geëindigd. Hieruit vloeit voort dat het Uwv over die periode onverschuldigd een bedrag van € 1.151,23 bruto aan toeslag heeft betaald. Het Uwv is gelet op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW en op grond artikel 20, eerste lid, van de TW verplicht tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering en TW over te gaan.
4.4.
De Raad stelt vast dat appellant de juistheid van de terugvorderingsbedragen niet heeft betwist. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien, als bedoeld in het zesde lid van artikel 33 van Pro de ZW en het vijfde lid van artikel 20 van Pro de TW, is geen sprake. Bij brief van 8 september 2020 heeft het Uwv nadere stukken overgelegd waaruit blijkt dat aan appellant per 15 juli 2017 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en opnieuw een toeslag op grond van de TW is toegekend, en dat de terug te vorderen bedragen door middel van verrekening volledig zijn terugbetaald. Volgens vaste rechtspraak dient het bij dringende redenen te gaan om uitzonderlijke situaties, waarbij de gevolgen van de terugvordering onaanvaardbaar zijn. Appellant heeft zijn standpunt dat de terugvordering voor hem tot een onaanvaardbare situatie leidt niet onderbouwd.
5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2020.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) A.M.M. Chevalier