ECLI:NL:CRVB:2020:2605
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid voor toekenning nabestaandenuitkering op grond van de ANW
Appellante vorderde een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) omdat haar jongste kind in 2015 achttien jaar werd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok de uitkering in omdat appellante niet voor minstens 45% arbeidsongeschikt werd geacht. Na medisch en arbeidskundig onderzoek door het UWV werd het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 0%. Appellante voerde bezwaar en beroep aan met aanvullende medische rapporten, maar deze gaven onvoldoende aanleiding tot twijfel over het oorspronkelijke oordeel.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts, die concludeerde dat de beperkingen van appellante niet zodanig waren dat het arbeidsongeschiktheidspercentage verhoogd moest worden. De Raad volgde dit deskundigenrapport en verwierp het verzoek van appellante om een andere deskundige te benoemen. Ook werd een aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) doorgevoerd, waarna een arbeidsdeskundige bevestigde dat appellante de geduide functies nog steeds kon vervullen.
De Raad oordeelde dat er geen nieuwe medische informatie was die een andere beoordeling rechtvaardigde en dat appellante niet benadeeld was door de aanpassing van de FML. Het verzoek om een aanvullend deskundigenrapport werd afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarmee de weigering tot toekenning van de nabestaandenuitkering gehandhaafd bleef.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet voldoet aan het vereiste van minstens 45% arbeidsongeschiktheid voor een nabestaandenuitkering.