ECLI:NL:CRVB:2020:2611

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2020
Publicatiedatum
27 oktober 2020
Zaaknummer
18/2121 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 ANWArt. 14 ANW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, vroeg een nabestaandenuitkering aan na het overlijden van haar echtgenoot in 2016. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt was, een standpunt ondersteund door een advies van het UWV en bevestigd door de rechtbank.

In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen door CVS onvoldoende werden erkend en dat er een urenbeperking moest worden aangenomen. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die een gedegen onderzoek verrichtte en concludeerde dat de beperkingen niet tot een hogere arbeidsongeschiktheid leidden dan eerder vastgesteld.

De Raad volgde het deskundigenrapport en de daarop gebaseerde aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waaruit bleek dat het arbeidsongeschiktheidspercentage gelijk bleef. Er waren geen omstandigheden om het rapport te verwerpen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen nabestaandenuitkering krijgt wegens minder dan 45% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

18.2121 ANW

Datum uitspraak: 23 oktober 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 maart 2018, 17/2710 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Y. Schippers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De door de Raad als deskundige benoemde verzekeringsarts heeft op 16 december 2019 rapport uitgebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Y. Schippers. De Svb heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is/was werkzaam als administratief medewerkster bij [Stichting] voor 11,95 uur per week. Op [sterfdatum] 2016 is haar echtgenoot overleden. Appellante heeft op 5 januari 2017 een aanvraag gedaan voor een nabestaandenuitkering.
1.2.
Bij besluit van 17 maart 2017 heeft de Svb de aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandewet (ANW) afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellante niet voor meer dan 45% arbeidsongeschikt is noch een eigen kind of een pleeg- of stiefkind verzorgt dat jonger is dan achttien jaar. Voor de onderbouwing van de mate van arbeidsongeschiktheid is verwezen naar een advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van 6 maart 2017.
1.3.
Het tegen het besluit van 17 maart 2017 ingediende bezwaar is bij besluit van 11 juli 2017 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb verwezen naar het op zorgvuldige wijze tot stand gekomen advies van het Uwv dat appellante niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW omdat een arbeidsongeschiktheidspercentage van 2,14 moet worden aangenomen.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerde medische grondslag. De rechtbank wijst er op dat de verzekeringsarts appellante heeft gezien op het spreekuur en lichamelijk heeft onderzocht en vervolgens medische beperkingen heeft aangenomen, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 maart 2017. Er is geen medische reden om een urenbeperking op grond van energetische overwegingen aan te nemen. Wel wordt aangegeven dat sprake moet zijn van een voorspelbare werksituatie en een beperkte werkdruk. De rechtbank neemt voorts in overweging dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de dossiergegevens heeft bestudeerd, aanwezig is geweest bij de hoorzitting van 29 mei 2017 en dat bij de besluitvorming zijn betrokken een medisch aanvullend verslag, alsmede gegevens van derden, verkregen tijdens de bezwaarprocedure. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsarts. In de rapportage van de door appellante ingeschakelde onafhankelijke bedrijfsarts Drent ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante. Naar het oordeel van de rechtbank is ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd, overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende gewicht is toegekend aan het rapport van de door appellante ingeschakelde deskundige Drent. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de beperkingen als gevolg van de bij appellante bestaande CVS. Mede gegeven het feit dat appellante haar feitelijke arbeid als administratief medewerkster op eigen initiatief heeft verminderd, is een urenbeperking aan de orde. De rechtbank heeft in het rapport van Drent ten onrechte geen reden gezien een deskundige te benoemen.
3.2.
Onder verwijzing naar het bestreden besluit heeft de Svb verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geding is de vraag of de Svb terecht heeft geweigerd appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen, omdat zij op [sterfdatum] 2016 minder dan 45% arbeidsongeschikt is.
5. Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is, recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van Pro de ANW.
Artikel 11 van Pro de ANW luidt:
1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat de wetgever met deze bepaling kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van Pro de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten.
6. Inhoudelijke beoordeling
6.1.
Om meer inzicht te verkrijgen in de beperkingen van appellante heeft de Raad de verzekeringsarts I.A.K. Snels als deskundige benoemd teneinde van verslag en advies te dienen. De deskundige heeft geconcludeerd dat in het tijdvak in geding, [sterfdatum] 2016 en gedurende drie maanden nadien, sprake is van chronische vermoeidheidsklachten die geduid kunnen worden als CVS, chronische a-specifieke rugpijn, schouderklachten en een hernia diafragmatica (scheurtje in middenrif). De deskundige heeft in haar rapport van 16 december 2019 voorts geconcludeerd dat zij zich op punten niet kan verenigen met de FML: appellante moet ook beperkt worden geacht ten aanzien van nachtdiensten en overuren.
6.2.
Appellante acht zich meer beperkt dan de deskundige heeft aangenomen. Zij heeft haar in bezwaar en beroep ingenomen standpunten herhaald. Zij heeft in het bijzonder gesteld dat de diagnose CVS meer beperkingen met zich brengt. Er is te snel over het weekverhaal heengestapt. Uit de klachten van appellante blijkt dat er een urenbeperking dient te worden aangenomen.
6.3.
De deskundige heeft op deze punten gereageerd in een brief van 31 maart 2020 en haar rapport gehandhaafd. Bij de sociale anamnese is zowel naar werkdagen als naar niet‑werkdagen gevraagd en zijn terugkerende activiteiten als hobby’s en vrijwilligerswerk beschreven, aldus de deskundige.
6.4.
Volgens vaste rechtspraak van deze Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 september 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN7969), geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het in hoger beroep door Snels uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek met inachtneming van alle beschikbare informatie. Het rapport is inzichtelijk en consistent en het advies is overtuigend gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor de brief van 31 maart 2020.
6.5.
Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport niet te volgen. Met betrekking tot het standpunt dat de deskundige slechts naar een werkdag en naar een niet-werkdag heeft gekeken, heeft de deskundige overtuigend gerapporteerd en toegelicht in haar brief dat aan de hand van terugkerende activiteiten ook naar de rest van de week is gekeken.
6.6.
De Svb heeft het Uwv om nader advies gevraagd omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid uitgaande van de door de deskundige voorgestane beperkingen. Naar aanleiding van het rapport van Snels heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML, blijkens het rapport van 10 juli 2020, aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van 16 juli 2020 geconcludeerd dat de gewijzigde FML leidt tot eenzelfde arbeidsongeschiktheidspercentage van 2,14. Aannemelijk is dat appellante door de aanpassing van de FML niet is benadeeld.
7. Conclusie
7.1.
Uit 6.1 tot en met 6.6 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van de gronden.
7.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2020.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) F.E.M. Boon