ECLI:NL:CRVB:2020:2612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot terugkomen van AOW-besluit wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante had in 2009 een AOW-pensioen aangevraagd dat met terugwerkende kracht vanaf februari 2008 werd toegekend. In 2017 verzocht zij om terug te komen van dit besluit en het pensioen toe te kennen vanaf haar pensioengerechtigde leeftijd in 1996. Dit verzoek werd door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) afgewezen vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden en omdat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist was.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd overwogen dat appellante niet kon aantonen dat sprake was van een bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht zou rechtvaardigen. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar echtgenoot in Nederland had gewerkt en dat zij destijds kinderbijslag ontving, waardoor haar gegevens bij de Svb bekend waren en de Svb de aanvraag had moeten bevorderen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze stellingen niet tot een ander oordeel leiden. De Svb hanteert het beleid dat alleen bij onmiskenbaar onjuiste besluiten terugwerkende kracht wordt verleend. Omdat appellante noch haar echtgenote bekend waren bij de Svb in 1996 en er geen uitkeringsrelatie bestond, was het besluit niet onmiskenbaar onjuist. Ook de onbekendheid van appellante met het recht op AOW in 1996 was niet verschoonbaar. Het verzoek om herziening was daarom terecht afgewezen en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het AOW-besluit uit 2011 wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten en het niet evident onredelijk zijn van het besluit.