ECLI:NL:CRVB:2020:2623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid voor lichte functie wikkelaar
Appellante was laatstelijk werkzaam als secretaresse en meldde zich ziek wegens bekken- en rugklachten. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 20 november 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor lichte functies zoals wikkelaar. Na een nieuwe ziekmelding in oktober 2017 kende het UWV een voorschot Ziektewet toe, maar beëindigde de uitkering per 15 januari 2018 omdat appellante niet arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het besluit tot beëindiging, maar hield de rechtsgevolgen in stand. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde vast dat appellante op 15 januari 2018 geschikt was voor haar maatgevende werk, rekening houdend met haar beperkingen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij ten onrechte niet arbeidsongeschikt werd geacht, mede vanwege zwangerschap en eerdere acceptatie bij zwangerschapsklachten.
De Centrale Raad oordeelde dat het UWV terecht aannam dat appellante geschikt was voor de functie van wikkelaar, een fysiek lichte functie, ondanks haar klachten. De medische beoordeling was zorgvuldig en hield rekening met alle relevante beperkingen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht per 15 januari 2018 beëindigd omdat zij geschikt was voor de functie van wikkelaar.