ECLI:NL:CRVB:2020:2665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening en beëindiging WAZ-uitkering na anticumulatieperiode
Betrokkene, voormalig expeditiemedewerker met het syndroom van Usher, ontving vanaf 2000 een WAZ-uitkering die in 2009 werd beëindigd vanwege vijf jaar anticumulatie door inkomsten uit arbeid. Betrokkene verzocht in 2017 om herziening van deze beëindiging, stellende dat zijn gezondheid was verslechterd en dat hij onterecht was uitgesloten van een WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 2009 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, maar oordeelde dat het verzoek van 2017 niet als verzoek om terugkomen van het besluit mocht worden gezien. De Raad stelde vast dat het besluit van 2009 wel tijdig bekend is gemaakt en dat het bezwaar van 2017 te laat was ingediend.
De Raad oordeelde dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigen en bevestigde dat de WAZ-uitkering definitief kon worden beëindigd na vijf jaar anticumulatie. De gestelde verslechtering van de gezondheid na 2009 kon geen herleving van de uitkering veroorzaken, omdat de verzekering toen was geëindigd.
Het hoger beroep van het UWV werd gegrond verklaard, het incidentele hoger beroep van betrokkene verworpen, en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WAZ-uitkering wordt bevestigd.