ECLI:NL:CRVB:2020:2667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant heeft in 2009 een Wajong-uitkering aangevraagd die in 2010 werd geweigerd omdat hij niet langdurig arbeidsongeschikt was. Na een eerdere afwijzing in 2012 diende appellant in 2016 opnieuw een aanvraag in. Het UWV weigerde opnieuw, stellende dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een ander oordeel rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat de medische situatie niet wezenlijk was veranderd en de problematiek waarvoor appellant sinds 2016 wordt behandeld niet reeds in 2010 speelde. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn gedragsstoornis al sinds jeugd aanwezig was en dat het UWV deze ten onrechte niet als handicap erkende.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de aanvraag van 2016 een herhaling is van de eerdere aanvraag en dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn. De medische rapporten tonen geen wezenlijk ander beeld ten tijde van appellant’s zeventiende en achttiende jaar. Ook is het bestreden besluit niet evident onredelijk. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-aanvraag wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.