ECLI:NL:CRVB:2020:2679
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor andere arbeid
Appellant, laatstelijk schilder, meldde zich ziek met rugklachten en ontving aanvankelijk ziekengeld. Na een eerstejaars ZW-beoordeling oordeelde het UWV dat appellant niet meer geschikt was voor zijn oude arbeid, maar wel voor andere functies, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij rekening was gehouden met medische gegevens en operaties. Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch oordeel onzorgvuldig was, dat zijn beperkingen werden onderschat, en dat schouderklachten en pijnmedicatie niet adequaat waren meegenomen.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de verzekeringsarts de beperkingen adequaat had vastgesteld, inclusief aanpassingen aan de Functionele Mogelijkhedenlijst op basis van medische gegevens. De schouderklachten waren bijzaak en belemmerden het functioneren niet. Het gebruik van pijnmedicatie was niet zodanig dat het beperkingen veroorzaakte op de datum in geding. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant geschikt was voor ten minste twee functies binnen de EZWb, waardoor het UWV terecht de ZW-uitkering weigerde.
Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijk deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan het medisch oordeel. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering bevestigd.