Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2694

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2020
Publicatiedatum
3 november 2020
Zaaknummer
19/20 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 AwbParticipatiewet artikel 9
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vergoeding proceskosten bij intrekking hoger beroep wegens geen tegemoetkomen bestuursorgaan

Appellant had bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam een aanvraag ingediend voor ontheffing van arbeidsverplichtingen op grond van de Participatiewet, welke door het college op 20 februari 2018 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Later verleende het college in een andere procedure ontheffing vanaf 21 februari 2018 tot nader medisch onderzoek.

Appellant trok het hoger beroep in nadat het college bij een beslissing op bezwaar van 31 januari 2019 oordeelde dat de arbeidsverplichtingen vanaf 6 december 2018 niet meer op appellant van toepassing waren. Omdat deze beslissing op bezwaar betrekking had op een andere periode dan het bestreden besluit, bleef het oorspronkelijke besluit intact.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat er geen sprake was van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb, waardoor geen proceskostenvergoeding aan appellant toekomt. Het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten wordt afgewezen omdat geen tegemoetkomen is vastgesteld.

Uitspraak

19 20 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 3 november 2020
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
5 december 2018, 18/3318 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. el Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 8 juli 2020 heeft de Raad appellant in de gelegenheid gesteld zijn procesbelang te onderbouwen.
Bij brief van 30 juli 2020 heeft appellant in reactie op de brief van 8 juli 2020 aan de Raad meegedeeld dat hij het hoger beroep intrekt. Daarbij heeft appellant de Raad verzocht uitspraak te doen over de proceskostenveroordeling.
Het college heeft bij brief van 18 augustus 2020 meegedeeld dat het geen verweerschrift indient tegen het verzoek om vergoeding van de proceskosten.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

Bij besluit van 20 februari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 mei 2018 (bestreden besluit), heeft het college onder meer de aanvraag van appellant van 8 januari 2018, om een ontheffing voor de arbeidsverplichtingen op grond van de Participatiewet (PW), afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Bij beslissing op bezwaar van 11 oktober 2018 (in een andere procedure) heeft het college naar aanleiding van een aanvraag van 21 februari 2018 appellant ontheven van de arbeidsverplichtingen uit artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de PW totdat er een nieuw medisch onderzoek heeft plaatsgevonden.
Gevraagd naar de actuele situatie heeft het college in deze procedure ter zitting bij de rechtbank op 21 november 2018 meegedeeld dat sinds het besluit van 20 februari 2018 verder niets is gebeurd en dat het college geen maatregel heeft opgelegd in verband met het niet of onvoldoende voldoen aan de van toepassing zijnde arbeidsverplichtingen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het college bij beslissing op bezwaar van 31 januari 2019 (in weer een andere procedure) heeft geoordeeld dat sprake is van een situatie als genoemd in artikel 9, vijfde lid van de PW en dat de verplichtingen uit artikel 9, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de PW vanaf 6 december 2018 niet meer op appellant van toepassing zijn.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het bestreden besluit betreft de afwijzing van de aanvraag van appellant om een ontheffing voor de arbeidsverplichtingen op grond van de PW vanaf 8 januari 2018. De beslissing op bezwaar van 31 januari 2019 ziet op een andere periode, namelijk op de ontheffing van de arbeidsverplichtingen vanaf 6 december 2018. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat het bestreden besluit intact is gebleven, is van een tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb geen sprake. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het college te veroordelen de proceskosten van appellant te vergoeden. De Raad zal het verzoek daartoe afwijzen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant af.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2020.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) D. Bakker