Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2700

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2020
Publicatiedatum
4 november 2020
Zaaknummer
18/693 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing UWV en veroordeling in proceskosten

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV. Het UWV nam op 27 januari 2020 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarmee het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in bij brief van 12 maart 2020 en verzocht de Centrale Raad van Beroep het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat het hoger beroep was ingetrokken. De Raad overwoog dat op grond van artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming aan de bezwaren kan worden veroordeeld in de kosten.

De Raad stelde de proceskosten vast op €1.050 voor het beroep en €525 voor het hoger beroep, plus €7,40 aan reiskosten voor de zitting bij de rechtbank. Verzoeken om vergoeding van eigen bijdragen werden afgewezen omdat deze niet in het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn opgenomen. Vergoeding van griffierecht dient appellante rechtstreeks bij het UWV te vorderen.

De Centrale Raad van Beroep veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante tot een bedrag van €1.582,40. De uitspraak werd gedaan door J.P.M. Zeijen en uitgesproken op 4 november 2020.

Uitkomst: Het hoger beroep is ingetrokken en het UWV is veroordeeld in de proceskosten van appellante tot €1.582,40.

Uitspraak

Datum uitspraak: 4 november 2020
18/693 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 december 2017, 17/5107 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.R. Breuker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 27 januari 2020 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 12 maart 2020 heeft mr. Breuker namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 27 januari 2020 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.050,- in beroep en € 525,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
De reiskosten die appellante heeft gemaakt om de zitting bij de rechtbank bij te wonen komen tot een bedrag van € 7,40 voor vergoeding in aanmerking.
In de bijlage bij het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van de proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegekend. In vergoeding van de te betalen eigen bijdragen, zoals door de gemachtigde van appellante is verzocht, is daarbij niet voorzien. Deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.582,40.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2020.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) K.R. van Renswoude