ECLI:NL:CRVB:2020:2727
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering terecht; appellante geschikt voor arbeid verklaard
Appellante werkte als schoonmaakster en meldde zich ziek met rug- en maagklachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat zij geschikt was voor haar arbeid en beëindigde haar Ziektewet-uitkering per 17 januari 2018. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en wees ook haar verzoek om schadevergoeding af, omdat de medische beoordelingen geen aanleiding gaven om het besluit te betwijfelen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door haar klachten niet in staat was haar werk te verrichten en dat zij ruim een half jaar voor het einde van haar arbeidsovereenkomst geen feitelijke werkzaamheden had verricht. Zij overlegde een e-mail van haar ex-werkgever ter ondersteuning. Het UWV handhaafde het eerdere oordeel.
De Raad oordeelde dat de medische rapporten en het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd zijn en onderschrijft de conclusie dat appellante geschikt is voor haar arbeid. De stelling dat zij ruim een half jaar geen werkzaamheden verrichtte, faalt omdat het e-mailbericht enkel de beëindiging van haar dienstverband bevestigt vanwege het niet meewerken aan re-integratie.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij geschikt is voor haar arbeid.