ECLI:NL:CRVB:2020:2728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op WGA-vervolguitkering na zorgvuldige herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving sinds 2012 een WIA-uitkering, laatstelijk een WGA-vervolguitkering bij een arbeidsongeschiktheid van 65-80%. In 2017 vroeg het UWV een herbeoordeling aan, waarna een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd opgesteld die leidde tot intrekking van de uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Appellant maakte bezwaar en na aanvullend medisch onderzoek werd de FML aangepast, met een nieuwe beoordeling van 68,71% arbeidsongeschiktheid. Het UWV herstelde de uitkering per 20 maart 2018. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de beperkingen, waaronder knieklachten en PTSS, als zorgvuldig en juist werden beoordeeld.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen niet correct waren vastgesteld en dat zijn PTSS en knieproblemen onvoldoende waren meegewogen. Het UWV verwees naar het eerdere onderzoek en ontbrak medische onderbouwing van appellant. De Raad concludeert dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld, de beperkingen juist heeft vastgesteld en dat appellant in staat moet worden geacht de voorgestelde functies te vervullen.
Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op WGA-vervolguitkering bevestigd.