ECLI:NL:CRVB:2020:2753
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling met voldoende medische grondslag
Appellant viel sinds 2005 uit zijn werk vanwege lichamelijke en psychische klachten en ontving vanaf 2007 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. In 2017 vond een herbeoordeling plaats waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat appellant belastbaar was met beperkingen, resulterend in een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, waardoor het recht op WIA-uitkering werd beëindigd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische beoordeling onvoldoende gemotiveerd was en dat hij vanwege een ernstige psychische stoornis nog steeds volledig arbeidsongeschikt was. Hij overhandigde medische stukken van zijn behandelend psychiater en verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts appellant had onderzocht en het dossier had bestudeerd. De medische informatie van appellant bood geen nieuwe inzichten over de situatie op de datum in geding. De Raad concludeerde dat er geen sprake was van volledig verlies van psychische zelfredzaamheid en dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd medisch geschikt waren.
Verder werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de totale procedure minder dan vier jaar had geduurd. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd en het verzoek om vergoeding van proceskosten werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De WIA-uitkering is terecht beëindigd en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.