ECLI:NL:CRVB:2020:2754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voorbeeldfuncties WIA-uitkering
Appellante, werkzaam als pedagogisch medewerker, ontving een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA vanwege arbeidsongeschiktheid. Na afloop van de loongerelateerde periode stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast tussen 45 en 55%, waarna bij bezwaar dit percentage werd vastgesteld op 48,83%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar pijn-, gewrichts-, benauwdheids- en vermoeidheidsklachten onvoldoende waren meegewogen en dat zij niet in staat was om werkzaamheden in loondienst te verrichten. De Raad overwoog dat de medische beoordeling, inclusief informatie van reumatoloog en revalidatiearts, voldoende rekening hield met de klachten en dat de subjectieve beleving niet doorslaggevend is.
Voorts werd geoordeeld dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de in bezwaar geselecteerde voorbeeldfuncties medisch geschikt zijn voor appellante. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 48,83% en wijst het hoger beroep af.