Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2754

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 november 2020
Publicatiedatum
9 november 2020
Zaaknummer
18/5745 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voorbeeldfuncties WIA-uitkering

Appellante, werkzaam als pedagogisch medewerker, ontving een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA vanwege arbeidsongeschiktheid. Na afloop van de loongerelateerde periode stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast tussen 45 en 55%, waarna bij bezwaar dit percentage werd vastgesteld op 48,83%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat haar pijn-, gewrichts-, benauwdheids- en vermoeidheidsklachten onvoldoende waren meegewogen en dat zij niet in staat was om werkzaamheden in loondienst te verrichten. De Raad overwoog dat de medische beoordeling, inclusief informatie van reumatoloog en revalidatiearts, voldoende rekening hield met de klachten en dat de subjectieve beleving niet doorslaggevend is.

Voorts werd geoordeeld dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de in bezwaar geselecteerde voorbeeldfuncties medisch geschikt zijn voor appellante. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 48,83% en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

18.5745 WIA

Datum uitspraak: 9 november 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
27 september 2018, 18/1758 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft op 17 juni 2020 en op 14 september 2020 de beroepsgronden aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2020. Voor appellante is verschenen mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is werkzaam geweest als pedagogisch medewerker voor 32 uur per week. Naar aanleiding van een ziekmelding op 18 oktober 2011 heeft het Uwv met ingang van
14 oktober 2014 aan appellante een loongerelateerde WGA‑uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij in bezwaar vastgesteld op 52,95% en het einde van de loongerelateerde periode op 13 oktober 2017.
1.2.
Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv bij besluit van 19 juli 2017 aan appellante met ingang van 14 oktober 2017 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45 tot 55%.
1.3.
Bij besluit van 2 februari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 48,83%. Omdat de mate van de arbeidsongeschiktheid tussen de 45 en 55% blijft, wijzigt de hoogte van de vervolguitkering niet.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat geen reden bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen. Appellante heeft haar stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten niet onderbouwd met medische informatie. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt onderschreven. Nu in bezwaar nieuwe functies aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, was het Uwv niet gehouden in te gaan op het door appellante in bezwaar ingediende expertiseverslag waarin de door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies ongeschikt werden geacht.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij als gevolg van pijn- en gewrichtsklachten, benauwdheid en vermoeidheidsklachten meer beperkt is dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Appellante acht zich niet in staat om werkzaamheden in loondienst te verrichten.
3.2.
Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 14 oktober 2017 door het Uwv terecht is vastgesteld op 48,83%.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep over de medische beoordeling heeft aangevoerd, is een herhaling van wat zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.
4.3.
Met pijnklachten als gevolg van reumatoïde artritis is bij de beoordeling rekening gehouden. Voorts is informatie van de reumatoloog en de revalidatiearts bij de heroverweging in bezwaar betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van
25 januari 2018 het standpunt van de verzekeringsarts dat zich ten opzichte van januari 2015 geen wezenlijke veranderingen hebben voorgedaan, onderschreven. De geclaimde forsere beperkingen zijn niet toe te schrijven aan een toename van objectieve afwijkingen. Dit wordt bevestigd door de reumatoloog die in een brief van 17 augustus 2017 heeft vermeld dat de reumatoïde artritis met medicatie onder controle is. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd ter ondersteuning van haar standpunt dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar pijn- en vermoeidheidsklachten.
4.4.
Hoewel de Raad begrijpt dat voor appellante zelf wat zij voelt en ervaart voorop staat, gaat het bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zoals hier aan de orde om beperkingen die een medisch objectiveerbaar gevolg zijn van ziekte. De subjectieve beleving van appellante is daarom niet doorslaggevend. Het wordt door het Uwv niet ontkend dat appellante pijnklachten ervaart en beperkingen heeft. Met de geobjectiveerde klachten van appellante is door het Uwv voldoende rekening gehouden in de FML van 25 januari 2018.
4.5.
Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de in bezwaar geselecteerde voorbeeldfuncties in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2020.
(getekend) J. Brand
(getekend) H. Huisman