ECLI:NL:CRVB:2020:276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellante was werkzaam als operator tabeletteermachine en meldde zich in 2012 ziek met gewrichtsklachten. Na een initiële toekenning van een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid, heeft het UWV in 2016 na herbeoordeling vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de uitkering beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij het rapport van een onafhankelijke verzekeringsarts werd gevolgd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar klachten en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het oordeel van de onafhankelijke deskundige overtuigend was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst voldoende rekening hielden met haar klachten, waaronder ook de huisstofmijtallergie.
De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.