Appellant ontving op 7 september 2015 een erfdeel van €42.062,28 en vroeg later bijstand aan. Het college wees de eerste aanvraag af wegens onvoldoende bewijs dat het vermogen verantwoord was besteed. Bij een tweede aanvraag werd bijstand toegekend, maar met een verlaging van 20% vanwege onverantwoorde besteding van het vermogen, gebaseerd op een interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het vermogensonderzoek onrechtmatig was en dat hij zijn vermogen mocht besteden omdat hij een baan had. De Raad oordeelde dat het college terecht dossieronderzoek deed en dat de gehanteerde interingsnorm aanvaardbaar is.
Verder was het voor appellant voorzienbaar dat hij na afloop van zijn tijdelijke nul-urencontract een beroep op bijstand zou moeten doen. Het te snel interen op de erfenis toonde een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De Raad bevestigde daarom de verlaging van de bijstand en wees het hoger beroep af.