Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2769

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2020
Publicatiedatum
10 november 2020
Zaaknummer
18/1856 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid

Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en kreeg in 2016 een terugvordering opgelegd wegens niet eerder verrekende inkomsten uit arbeid. Naar aanleiding van een IB-signaal in 2017 startte het college een onderzoek en herzag de bijstand over meerdere periodes, waarbij opnieuw terugvordering plaatsvond omdat appellante geen melding had gemaakt van haar inkomsten.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet wist dat zij inkomsten moest melden vanwege taalproblemen en gebrek aan informatie van het college. De Raad oordeelde dat appellante redelijkerwijs had moeten weten dat zij haar inkomsten moest melden, mede vanwege eerdere terugvordering en de mogelijkheid om hulp te vragen bij de bijstandsconsulent.

De Raad concludeerde dat het college het beleid correct had toegepast door de inkomensvrijlating buiten toepassing te laten en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid.

Uitspraak

18 1856 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 10 november 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2018, 17/6314 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. El Haddouchi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2020. Namens appellante is verschenen mr. S. Benayad, advocaat. Het college is met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 2 oktober 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Bij besluit van 14 juli 2016 heeft het college de over de periode van 1 februari 2016 tot en met 31 maart 2016 te veel betaalde bijstand tot een bedrag van € 1.442,85 van appellante teruggevorderd in verband met inkomsten uit arbeid die niet eerder zijn verrekend.
1.3.
Naar aanleiding van een IB-signaal 2017 dat appellant werkzaamheden heeft verricht en inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is Suwinet geraadpleegd en is appellante bij brief van 14 juni 2017 verzocht om onder meer loonspecificaties over te leggen. Appellante heeft niet gereageerd op dit verzoek. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 juni 2017.
1.4.
Bij besluit van 26 juni 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 september 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periodes van 1 juni 2016 tot en met 31 juli 2016 en van 1 januari 2017 tot en met 31 mei 2017 herzien en de over die periodes te veel betaalde bijstand tot een bedrag van € 1.613,64 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, waarvan zij geen melding heeft gemaakt bij het college. De inkomsten moeten in mindering worden gebracht op de bijstand. Volgens beleid van het college wordt de inkomensvrijlating niet toegepast indien inkomsten niet (tijdig) worden opgegeven.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is of het college overeenkomstig zijn beleid de inkomensvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de PW buiten toepassing heeft kunnen laten, omdat appellante geen melding heeft gemaakt van haar inkomsten.
4.2.
Appellante heeft aangevoerd dat zij niet wist dat zij inkomsten uit arbeid moest melden. Zij is de Nederlandse taal niet machtig en is door het college ook niet geïnformeerd dat zij inkomsten uit arbeid moet melden.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op de eerdere herziening van de bijstand in verband met inkomsten uit arbeid zoals vermeld onder 1.2, had het appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zij melding moest maken van haar inkomsten bij het college. Voor zover het appellante vanwege gebrekkige kennis van de Nederlandse taal niet duidelijk zou zijn geweest dat zij hiervan melding moest maken, dan had het op haar weg gelegen om daarover helderheid te verkrijgen. Zij had zich bijvoorbeeld tot de bijstandsconsulent kunnen wenden met iemand die zowel haar eigen taal als de Nederlandse taal beheerst. Het college heeft dan ook op goede gronden de inkomensvrijlating buiten toepassing gelaten.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2020.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) A.A.H. Ibrahim