ECLI:NL:CRVB:2020:278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen en studiestatus met vergoeding overschrijding redelijke termijn
Appellant, geboren in 1997, vroeg een Wajong-uitkering aan wegens slechthorendheid en de ziekte van Behçet. Het UWV wees de aanvraag af op grond van medisch en arbeidskundig onderzoek dat concludeerde dat appellant arbeidsvermogen heeft. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant, omdat hij studeerde, ook geen recht had op een Wajong-uitkering.
In hoger beroep herhaalde appellant dat hij geen vier uur per dag kan werken en dat zijn stagewerkzaamheden niet representatief zijn. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellant wel arbeidsvermogen heeft, mede omdat hij zelfstandig onderwijs volgde en taken bij zijn stage naar behoren uitvoerde, ondanks dat hij soms gecontroleerd moest worden.
Appellant vorderde daarnaast een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad concludeerde dat de totale procedure van ruim vier jaar en zes maanden de redelijke termijn in de bestuurlijke fase met zes maanden heeft overschreden, waarvoor een vergoeding van €500,- passend is. De rechterlijke fase was niet te lang. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van €525,-.
Uitkomst: De aanvraag Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens arbeidsvermogen en studiestatus; het UWV moet €500,- schadevergoeding betalen wegens overschrijding redelijke termijn.