ECLI:NL:CRVB:2020:279
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij beëindiging ZW-uitkering
Appellante ontving een ZW-uitkering die door het UWV per 24 maart 2017 werd geschorst vanwege het niet verschijnen op een spreekuur. Appellante maakte bezwaar tegen deze schorsing, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze schorsing gegrond, maar stelde dat het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk was wegens termijnoverschrijding.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was en dat de schorsing onterecht was. Het UWV bracht een nieuw besluit in, waarbij de ZW-uitkering met ingang van 1 maart 2017 werd beëindigd. Appellante gaf ter zitting aan geen rechtsmiddel te hebben aangewend tegen dit beëindigingsbesluit.
De Raad oordeelde dat omdat appellante geen bezwaar had gemaakt tegen het beëindigingsbesluit en daarmee vanaf 1 maart 2017 geen recht meer had op de ZW-uitkering, het hoger beroep tegen de schorsing geen feitelijke betekenis meer had. Hierdoor ontbrak het procesbelang en werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.