ECLI:NL:CRVB:2020:2813
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet opgegeven extra werkzaamheden
Appellanten ontvingen bijstand, waarbij appellant tevens werkzaamheden verrichtte bij een eethuis. Het college trok het recht op bijstand in omdat appellant niet had gemeld dat hij meer uren werkte dan opgegeven, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de aanwezigheid en werkzaamheden buiten de opgegeven uren als op geld waardeerbare arbeid moeten worden aangemerkt. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat deze extra aanwezigheid geen op geld waardeerbare arbeid was.
De Centrale Raad van Beroep verwijst naar vaste rechtspraak dat aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een werkplek de vooronderstelling rechtvaardigt dat er op geld waardeerbare arbeid is verricht. Gezien de waarnemingen en erkenning van appellant dat hij buiten opgegeven uren bestellingen aanneemt en in de keuken bijspringt, is niet aannemelijk gemaakt dat er geen op geld waardeerbare arbeid is verricht.
De Raad bevestigt de gemotiveerde uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering wegens niet opgegeven extra werkzaamheden.