ECLI:NL:CRVB:2020:2822
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding cocaïnehandel
Appellanten ontvingen algemene bijstand op grond van de Participatiewet. Het dagelijks bestuur trok de bijstand over de periode 1 januari 2016 tot en met 9 juli 2017 in en vorderde de kosten van bijstand terug, omdat appellant handelde in cocaïne zonder dit te melden. Hierdoor werd de inlichtingenverplichting geschonden en kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de handel in verdovende middelen een op geld waardeerbare activiteit is die gemeld moet worden. Appellanten slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij recht op bijstand hadden als zij wel aan de inlichtingenverplichting hadden voldaan. De Raad sluit zich aan bij dit oordeel en wijst het hoger beroep af.
De strafrechtelijke overwegingen over kleine hoeveelheden en het ontbreken van winstbejag zijn niet relevant voor het bestuursrechtelijke oordeel. Er zijn geen dringende redenen voor het niet terugvorderen van de bijstandskosten. De proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van bijstand wordt afgewezen.