ECLI:NL:CRVB:2020:2857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, voormalig metaalbewerker, kreeg een WIA-uitkering toegekend wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en beëindigde de uitkering per 12 maart 2016. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit besluit op basis van een deskundigenrapport.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank het hoor- en wederhoorprincipe had geschonden door niet opnieuw een zitting te houden na ontvangst van nadere stukken. De Centrale Raad oordeelde dat dit inderdaad het geval was, maar dat de zaak geen nadere behandeling behoeft en kon worden afgedaan zonder terugwijzing.
De Raad volgde het deskundigenrapport dat een zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling bevatte, waarin de beperkingen van appellant adequaat waren vastgesteld. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de conclusie dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en bevestigde daarmee het bestreden besluit. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en veroordeelt het UWV in de proceskosten.