Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin zijn Ziektewetuitkering per 28 augustus 2016 werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Na benoeming van een onafhankelijke deskundige bracht deze een rapport uit, waarna het UWV op 24 oktober 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar nam en het bezwaar van appellant gegrond verklaarde. Hierdoor kreeg appellant alsnog recht op de ZW-uitkering vanaf genoemde datum.
Hoewel appellant het hoger beroep niet introk, was er feitelijk geen geschil meer tussen partijen, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens ontbreken van procesbelang. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over de periode van onterecht niet ontvangen uitkering.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, waaronder kosten voor rechtsbijstand en reiskosten. Voor de door appellant ingebrachte medische adviezen werd een gedeeltelijke vergoeding toegekend, waarbij alleen de uren van de medisch adviseur binnen het maximale tarief werden vergoed en administratieve kosten werden afgewezen. Het totaal aan te vergoeden proceskosten bedroeg € 2.076,18, inclusief griffierechten.